Missie en Visie

MISSIE

Het doel van vzw Passhuis is personen met een autismespectrumstoornis kwalitatief en op maat een dienst- en hulpverlening te bieden gericht op ontwikkeling en algemeen welzijn van de persoon.  De werking situeert zich op vier domeinen: opvang, begeleiding, adviesverlening en counseling.


VISIE

De grondhouding is gebaseerd op de principes van integratie en omgekeerde integratie in een woon-werk en de leer-leefomgeving.  De benadering en begeleiding van de personen met autisme vindt zijn fundamenten in belangrijke theoretische stromingen.


Enerzijds wordt er gewerkt volgens het TEACCH- principe.  TEACCH staat voor “Treatment and Education of Autistic and related Communication handicapped Children” en werd in 1971 ontwikkeld door Eric Schopler aan de universiteit van Noord- Carolina. In Vlaanderen werd deze manier van werken geïntroduceerd door Theo Peeters (1994).

Het is een specifiek op autismespectrumstoornissen afgestemde benaderingswijze.  Men richt zich op het aanleren van fundamentele functionele vaardigheden op een geïndividualiseerde en op een auti-specifieke manier.  Kenmerkend voor deze benaderingswijze is het gebruik van visuele ondersteuning: voorwerpen, foto’s, prenten, geschreven taal die structuur, verduidelijking en voorspelbaarheid bieden in de tijd, ruimte en activiteiten. Hiervoor maakt men gebruik van dag-, taak- en werkschema’s.

Een tweede belangrijk uitgangspunt van dit model is de samenwerking met ouders.  Het kind met autisme wordt ondersteund via de ouders.  Zij worden gezien als experten in de samenwerking.

De TEACCH-principes zijn heel eenvoudig en kunnen kortweg in zeven punten worden samengevat:

Opvoeding en onderwijs gebaseerd op structuur

Aanpassing in twee richtingen

Het kind helpen via de ouders

Een goede diagnose en onderzoek als uitgangspunt

Een degelijke opleiding van professionelen als generalisten met betrekking tot autisme

Accent op vaardigheden en positieve resultaten

Methodiekontwikkeling (mede) gebaseerd op uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek 


De begeleiding van de kinderen is uiteraard gefundeerd  op de recente inzichten over de verschillende cognitieve modellen die een verklaring bieden voor de typische gedragskenmerken van autismespectrumstoornissen, met name Theory of Mind-hypothese (Baron-Cohen, Leslie, Frith, 1985), centrale coherentie-hypothese (Frith, 1989) en de hypothese rond de executieve functies (Luria, 1966).  Het zijn deze modellen die de concrete uitvallen op sociaal-communicatief vlak en op vlak van spel en verbeelding verklaren (Roeyers, 2014).  Deze drie cognitieve theorieën geven inzicht in de manier waarop personen met een autismespectrumstoornis informatie verwerken en het gedrag dat ze vertonen.

Theory of Mind-hypothese

Roeyers (2014, p. 51) omschrijft Theory of mind als volgt: “De bekwaamheid om mentale toestanden - zoals intenties, wensen, meningen, kennis, enzovoort – toe te kennen aan zichzelf en anderen.”   Kinderen met een autismespectrumstoornis hebben het doorgaans moeilijk om zich in te leven in de gedachten, gevoelens en intenties van anderen.  Dit verklaart deels waarom zij uitvallen op vlak van empathie en sociale communicatie.  Toch verbetert het inlevingsvermogen met de leeftijd (Roeyers, 2014).

Centrale Coherentie-hypothese

Neurotypische personen hebben de neiging om prikkels in zijn geheel te interpreteren, rekening houdend met de context waar in ze voorkomen.  Personen met een autismespectrumstoornis daarentegen hebben moeite om details te integreren en betekenissen en structuur te verlenen vanuit de samenhang van de context (Vermeulen, 1996).  Zij hebben een gebrekkige centrale coherentie waardoor zij problemen kunnen hebben met geleerde vaardigheden te transfereren van de ene situatie naar de andere, het letterlijk begrijpen van taal zonder rekening te houden met de context, het sterk gedetailleerd waarnemen, … (Roeyers, 2014).

Hypothese rond executieve functies

Executieve functies zijn cognitieve processen die instaan voor het plannen en organiseren van het handelen en doen.  Deze functies stellen de persoon in staat om te plannen (het vermogen om vooruit te kijken) en om probleemoplossend te denken.   Het biedt soepelheid en flexibiliteit in het denken en doen en zorgt voor inhibitie en werkgeheugen (Roeyers, 2014).  Deze hypothese kan verschillende gedragingen bij personen met een autismespectrumstoornis verklaren zoals hun beperkte interesses, stereotiep gedrag, rigiditeit , het persevereren, …

Vanuit emancipatorische invalshoek streven we naar een begeleiding van de totale persoon in al zijn facetten.  Een grondhouding van acceptatie, authenticiteit, integriteit, empathie en gelijkwaardigheid is noodzakelijk in het ondersteunen van de persoon in zijn zorgvraag.

De vraag van de gebruiker en zijn context is het aangrijpingspunt van de begeleiding.  Een belangrijke opdracht is om de vraag van de gebruiker  correct te kunnen lezen en het aanbod hierop af te stemmen.  Dit vraaggericht/vraaggestuurd werken veronderstelt een constante dialoog tussen de gebruikers en zijn begeleiders.

Literatuurlijst

Baron-Cohen, S., Leslie, A.M., & Frith, U. (1985).  Does the autistic child have a theory of mind? Cognition, 21, 37-46

Frith, U (1989). Autism: Explaining the enigma.  Oxford.  Basil Blackwell

Peeters, T. (2009).  Autisme. Van begrijpen tot begeleiden. Antwerpen.  Houtekiet

Roeyers,  H. (2014). Autismespectrumstoornis, Alles op een rijtje. Leuven.  Acco

Vermeulen, P. (1996). Dit is de titel: over autistisch denken.  Gent. Vlaamse Vereniging Autisme